Ligging Landgoed het Laar

Op de plek waar de Regge en de Vecht samenkomen ligt landgoed Het Laar. Landgoed Het Laar kent een bijzondere geschiedenis van kleine havezate tot spiritueel centrum.

 

Een ‘laar’ is een open plek in het bos. Eén van de vijf havezates die Ommen heeft gehad heette ‘t Laer. 

Landgoed Het Laar

Het landgoed kenmerkt zicht door haar bosrijke en parkachtige karakter  De oorsprong hiervan ligt bij Thomas Ernst Danckelman.

 

Nadat hij rond 1700 huize ‘t Laer met haar landerijen heeft gekocht, laat hij een nieuw vierkant huis bouwen. Eromheen wordt een eenvoudige geometrische tuin aangelegd, omringd door een gracht. Dit was het begin van het huidige landgoed Het Laer.

 

Rond 1742 verkochten de erfgenamen Danckelman het landgoed aan Johan Lodewijk van Rechteren, zoon van de machtige heer van Almelo. Onder zijn beheer werd niet alleen huize ‘t Laer verbouwd. Ook werd een imposant park aangelegd in de Franse, formele landschapsstijl.

 

 

 

Kenmerkend voor deze stijl is dat tuinen werden aangelegd volgens een strak plan met rechte lijnen en symmetrische patronen. Op Het Laar is dit bijvoorbeeld terug te vinden in de oude lanen en bomenrijen.

 

Ook kwam aan de voorzijde van het huis een lange oprijlaan. In het verlengde daarvan werden aan achterkant van huize ‘t Laer grote, strak belijnde waterpartijen aangelegd, bestaande uit een slotgracht, twee spiegelvijvers en een zichtkanaal: het “grand canal”.  Deze Franse tuinaanleg uit de vroege achttiende eeuw is nog altijd op Het Laar aanwezig. Uiteraard was er ook een dwars-zichtas die in het noorden uitkwam op de Vecht. Men heeft deze as in het verleden willen herstellen maar inmiddels lag daar al een bloeiende camping...

 

Landschap

De landerijen van huize ‘t Laer zijn veel groter dan alleen de tuinaanleg rondom het hoofdhuis. Het reliëfrijke landschap van het landgoed is zeer gevarieerd. Het is grofweg in te delen in drie gebieden:

 

1. De (drogere) bossen aan de noordzijde: Deze voornamelijk drogere bossen liggen in het verlengde van huize ‘t Laer. Het zijn gemengde bossen, waarin zowel inheems loofhout (inlandse eik en gewone beuk) als uitheems naaldhout (Japanse lork) aanwezig is. In dit gebied stond een voor veel Ommenaren bekende boom: de dikke den. De boom is in 1961 gekapt vanwege afsterving. Aan de noordzijde van het landschap bevinden zich de hiervoor besproken tuinstijlen, dus met invloed van zowel de Franse als Engelse landschapsstijl. Hierdoor liggen er verschillende cultuurhistorisch waardevolle objecten in het gebied, zoals de brug over het grand canal en de Levi-bank. 

 

2. De open (natte) hooilanden als middenstrook door het boscomplex: De weidegronden door het midden van het gebied lopen als een ketting vanaf de Regge richting huize ‘t Laer. Op hoogtekaarten is duidelijk te zien dat deze ‘hooilanden’ relatief laag liggen, ze volgen een oud stroomdal van de Vecht. De percelen liggen deels van elkaar gescheiden door een laan, smalle bosschages en houtwallen. In dit lage gebied stroomt nu de Besthmenerhooileiding. Deze beek mondt uit op de Regge en heeft zijn oorsprong in de Besthmenerberg. De Besthmenerhooileiding is een belangrijke watergang voor de afwatering van Ommen-Zuid. Ook loost de zuivelfabriek haar koelwater op deze watergang.

 

3. De natuurlijke gronden aan de zuidzijde: Het gebied ten zuiden van de Reggemarsweg is een afwisselend landschap met gemengd bos. Naast de bossen zijn kleine heidevelden, gagelstruwelen en enkele vennen aanwezig. De vennen in het gebied worden gevoed door grondwater. Een opvallend cultuurhistorisch element in dit gebied is de ijskelder. De bewoners van huize ‘t Laer bewaarden vroeger hier ijs uit de gracht. Het ijs werd voor eigen doeleinden gebruikt maar werd ook verstrekt aan het toenmalige Groene Kruis. Momenteel doet de ijskelder dienst als slaapplaats voor verschillende soorten vleermuizen. 

Geschiedenis tot de 20e eeuw

Hoe oud is ‘t Laer, sinds wanneer staat het gebouw op de huidige plaats, wie woonden er?

 

Op de plek waar Regge en Vecht samenkomen ligt een ronde heuvel. Volgens de overleving stond er in 1229 op deze motte (aarden wal) een kasteel van Roelof van Coevorden. Dit werd, toen hij zich overgaf aan de bisschop van Utrecht, volledig in de as gelegd.

 

De omtrek van de oorspronkelijke gracht lijkt nog herkenbaar: direct links voor de brug over de Regge richting Vilsteren markeren een groepje eikenbomen en het restant van de gracht deze plaats. Later is het kasteel weer herbouwd, zo verhaalt men, en in de veertiende eeuw heerste hier Jutte van Laer.

 

Deze familie maakte het met hun tolgelden de kooplieden behoorlijk lastig, waardoor de bisschop andermaal moest optreden: weer werd het slot met de grond gelijk gemaakt en nu moesten de eigenaren beloven het huis daar nooit weer op te bouwen zonder toestemming van de bisschop. De geschreven geschiedenis van ‘t Laer begint eind veertiende eeuw. 

 

Hugo van den Laer had in 1382 o.a. “dat goet ten Laer” in leen van de bisschop van Utrecht - terwijl ene Hendrik van Laer ook een leen had dat “Laer” heette. Blijkens hun wapen waren ze echter geen familie - hoe zat dit? Men heeft de oplossing wel gezocht in het bestaan van twee huizen ‘t Laer, het één vlakbij de Regge (Laermans, later Meyerink), het andere op een plek die tussen de ‘motte’ en de huidige bouwplaats lag. Er is zelfs sprake van nog een derde familie Van Laer tot Laerwold in de omgeving van Ommen...

 

De oorsprong van het wellicht bekendste huis van Ommen is dus in enige nevelen gehuld.Die beginnen vanaf de zestiende eeuw wat op te trekken: een dochter van een Van Laer is dan getrouwd met Seino Mulert, in 1521 schout van Ommen, later drost van Salland. Zijn zoon Ernst bleef tijdens de Opstand het Spaanse gezag trouw en werd drost in Lingen. Hij verkocht zijn Ommense bezit rond 1608 aan aan Anthonie van Doornick. Diens zoon Helmich kreeg in 1622 door ‘t Laer (welk van de twee?) toegang tot de Ridderschap van Overijssel, hetgeen betekent dat het huis op zijn laatst vanaf die tijd een havezate was. Het was in die tijd overigens niet meer dan een spiker: de verzamelplaats van de afdrachten der pachters met een opkamer voor de eigenaar als deze kwam inspecteren of jagen. Meestal woonde de eigenaar niet op het huis maar werd het verhuurd.

 

Na de Van Doornicks kwamen er in de zeventiende eeuw nog verschillende eigenaren. Op het eind van die eeuw kocht Thomas Ernst Danckelman, geheimraad van de keurvorst van Brandenburg, deze havezate. Hij was een man met verschillende connecties in de Republiek. Als afgezant van zijn vorst vergezelde hij stadhouder Willem III in 1688 naar Engeland, waar deze door de ‘Glorious Revolution’ koning zou worden. De ster van de familie Danckelman rees: ze werden geadeld en kregen de functie van drost in het inmiddels Pruisisch geworden Lingen. Zij lieten ‘t Laer verplaatsen en opnieuw opbouwen dichter in de buurt van het stadje Ommen, waar in de buurt nog een oude bouwplek te zien was. Het is aan te nemen dat dit de huidige locatie is geweest.

 

Het nageslacht van de Danckelmans was minder fortuinlijk en rond 1740 is ‘t Laer weer verkocht, nu aan Johan Lodewijk, zoon van de heer van Almelo, de rijksgraaf van Rechteren. Dit was een man met kennelijk veel kwaliteiten want hij had her en der belangrijke bestuursfuncties. Niettemin bleef ’t Laer zijn hoofdverblijf; daar woonde hij met vrouw, kinderen, hovenier, lijfknecht, kok, koetsier en drie meiden. Maar een dependance van Almelo zou het hier niet worden: toen Johan in 1762 stierf werd de havezate publiekelijk verkocht. Dat gebeurde opnieuw (na twee tussen-eigenaren) in 1782 met de volgende beschrijving: ... ’de havesathe ‘t Laar ...met desselfs heerenhuisinge, bouwhuisen, tuin, plantagiën, bossen, landerijen, koepel aan de Vegt, endekooy, canalen en daar ten einde gelegen bergje’. Tegelijkertijd werd echter ook aangeboden...Het oude Laar of Larink, bestaande uit huis, schuur, bergen, opgaand en akkermaalshout, bouw- , weide-, en hooilanden, gepacht door Frederik Laarman. Beide landgoederen werden nu door een en dezelfde persoon gekocht, op het eind der eeuw door Mr. Rudolf Sandberg, burgemeester van Zwolle, en zijn  vrouw Johanna Maria Hanselaar.

 

De Sandbergs waren politiek vooraanstaande lieden die verschillende functies in de provincie en in het landsbestuur vervulden. In 1842 werden ze geadeld. Het geslacht Sandberg heeft ‘t Laer direct en via een familiestichting ruim een eeuw in bezit gehad. In 1850 werd het huis uitgebreid en verbouwd, waardoor het min of meer zijn huidige vorm kreeg.

Het Laar 1770

In 1901 werd het landgoed aan de Hengelose fabrikantenfamilie Stork verkocht, nu als “Het Laar”. Het rendeerde echter niet voldoende, waarna Rudolph Theodorus baron van Pallandt van Eerde het hele complex voor een kwart miljoen gulden aankocht (1910).

 

Na zijn dood werd zijn verre neef Philip Dirk, baron van Pallandt, de nieuwe eigenaar (1913). Deze idealist liet er de padvindersbeweging komen en later de Orde van de Ster van het Oosten (Krishnamurti). In 1932 moest hij een deel van zijn bezit verkopen; de gemeente Ommen kocht ‘t Laer aan voor f. 43.299,- 

 

De bewoningsgeschiedenis van ‘t Laer in de twintigste eeuw mag rustig zeer afwisselend genoemd worden. Het aantal eigenaren was weliswaar beperkt (Stork, Van Pallandt, gemeente Ommen) maar huurders waren er velen en van velerlei pluimage.

 

In het begin van de eeuw was er o.a. de Maatschappij Land- en boschbouw het Laar (gevestigd te Hengelo) maar ook diende het gebouw als het enigszins chique familiehotel van de Lokin’s aan de Voorbrug; een menu uit 1904 is nog heden in het souterrain te raadplegen. Toen Philip Dirk baron van Pallandt eigenaar was, verbleven er geregeld padvinders op het landgoed; ook logeerde de leiding van de Sterkampen regelmatig op ‘t Laer.

 

Na de verkoop van de buitenplaats aan de gemeente Ommen huurde jhr. mr. B.P.S.A. Storm van ‘s Gravenzande (oud-burgemeester van Wassenaar) het huis en de tuin binnen de grachten. Hij huurde voor dertig jaar, verkreeg het jachtrecht en de rest van het landgoed zou toegankelijk worden middels een wandelkaart. Na zijn dood bleef zijn dochter, de freule, er wonen - in haar eentje, sommige vertrekken werden onderverhuurd. Het jachtrecht en enige gronden werden overgedragen. Toen zij in 1972 overleed werd de inboedel geveild voor 300.000 gulden.

 

De plaatselijke deurwaarder Smit huurde het gebouw enige tijd en organiseerde er veilingen. Er ontstond onenigheid tussen hem en de gemeente over onderhoud, voorzieningen en huur. Hierna stond het gebouw een viertal jaren leeg (1974-78); het verkommerde, er vonden vernielingen en diefstallen plaats (er was geen inbraakverzekering afgesloten) en het optrekkende vocht deed er zijn schadelijke werk. De toezichthoudende functionaris mocht dan wel dagelijks zijn rondje doen (hij voerde ook de herten), het bleek onvoldoende.

 

In 1978 werd besloten tot verbouwing en herinrichting van ‘t Laer als conferentiecentrum: de Stichting Bijzondere Cursussen huurde hoofd- en bijgebouwen van 1979 tot 1986; vanaf 1984 vonden er ook andere instellingen onderdak.  Bij de verbouwing bleven o.a. twee schouwen en de eigen lambrisering behouden. De staat van onderhoud van de bijgebouwen bezorgden huurders en verhuurder voortdurend zorgen, pas in 1987 werd het Koetshuis opgeknapt, daarna de schaars gebruikte Orangerie. De conflicten tussen gemeente en huurders sleepten zich al deze jaren voort, elkaar beschuldigend van niet nakomen van aangegane verplichtingen.

 

Tien jaar (1986-1996)  organiseert het echtpaar Blaauw-Kroeze cursussen en conferenties; zij bewonen het Koetshuis en delen het hoofdgebouw met diverse andere instanties, zoals de Rijksgebouwendienst; er stonden echter ook geregeld vertrekken leeg. Het was een kostbare, onbevredigende toestand daar de onderhoudskosten van de verhuurder veel groter waren dan de huuropbrengsten.

 

Plotseling diende zich in 1995 een serieuze gegadigde aan en de gemeente moest overhaast beslissen: de firma Dekker (internationale handel in embryo’s en sperma van vee) wilde een representatief kantoor en had het oog op ‘t Laer laten vallen. Men wilde ook graag de hoofdingang gebruiken maar die was niet tijdig gerenoveerd en dus derfde de gemeente de huur van de ontvangstruimte.

 

Eindelijk werd er een constructie bedacht die hoop gaf voor de toekomst: een verbinding tussen representatieve ruimte en horeca, tussen natuurschoon en activiteiten, tussen elitaire bijeenkomsten en publieksvriendelijke ambiance. Merkwaardig genoeg was het een combinatie die op kleinere schaal een eeuw geleden door Lokin was geïntroduceerd en nu nota bene door hun opvolgers aan de Voorbrug, hotel De Zon, weer zou worden uitgeprobeerd.

 

Dankzij andermaal een forse aanspraak op de reserves maar mede door gulle subsidies werd ‘t Laer in 1998/99 verbouwd tot een locatie waar velen van zouden kunnen profiteren: naast de genoemde firma (die voornamelijk op de eerste verdieping resideert) exploiteert De Zon, samen met anderen, het souterrain en de bel-étage voor diverse doeleinden waaronder...een luxe trouw-gelegenheid, het paradepaardje van het gebouw sedertdien.